Poëzie



Abda

In het uniform van een jonge legerarts
koos hij uit de opgestelde rij onbekenden
lukraak patienten tot het voldoende was
voor een alibi.
Ze verdwenen in de gestolen ambulance.
Zijn vader zag hij niet.
Onderweg liet hij iedereen gaan.
'Niet,' antwoordde hij
op de vraag hoe ze hem konden bedanken,
zag ze rennen door het lege land
en ging naar een kamp, dat op zijn kaart
nog niet was doorgekrast.
In de inderhaast opgestelde rij vond hij
nieuwe patienten, geen daarvan zijn vader.
Toen gooide hij de achterklep dicht,
smeet de kaart weg, stapte in,
reed verder, keek niet meer
naar het krakende, zwarte land
of naar de jonge vrouwen op het veld
die bloosden van schaamte
om zoveel geluk.




Achter de kas (Rabus)

Het is nu donker genoeg.
Niemand nog - ook wij
verdwijnt zo dadelijk
dromt in een schemer
dan een ander samen
haakt ons droge handen ineen
voel maar - niets groeit.


Straks

D zal een astronaut zijn die lelijk
zijn enkel verzwikt in de krater,
die hij als eerste te laat ontdekte.


Re-enactment

D is wit als na een doodsbericht.
Een stil kind dat de auto hoorde naderen
en dezelfde seconde wist hoe het zat.
Wacht nu ineengedoken op het verspringen
van de wijzer, het openen van de deur,
iemand die er even naast gaat staan,
liegt opdat het leven zich hervat.